Er zijn van die langlopende stripreeksen die nooit echte uitschieters hebben gekend (noch in goede, noch in slechte zin) maar toch steeds weer hun weg naar het publiek vinden. Dommel, De smurfen en Robin Hoed zijn er zo een paar. Bovendien bestaan van die figuren tekenfilms, merchandising, spelletjesboeken, en herdruk na herdruk van de strips. Maar een duidelijke verklaring voor dat succes kan ik nergens vinden. Er is nochtans een verschil tussen Dommel en De smurfen, en Robin Hoed. Dupa (bedenker van Dommel) en Peyo (wijlen geestelijke vader van het blauwe volkje) kwamen met een oorspronkelijk idee op de proppen. Het karakter van Robin Hoed is echter zo multi-interpreteerbaar dat de Britse volksheld in de stripversie van Turk (pseudoniem van Philippe Liègeois) en Bob de Groot werd ontdaan van zijn vriend Jan en zijn geliefde Marian, en gekoppeld werd aan een sullige sheriff van Nottingham en diens bazige manwijf Kunegonde. Bovendien duiken Duitse kruisvaarders op. (Okee, Duitse toeristen duiken overal op. Dus waarom niet in Sherwood Forest?). De overeenkomst met de twee andere Lombard-uitgaven is het gebrek aan sterke grappen, maar Robin Hoed (op de covers staat sinds kort alleen nog maar 'Robin') heeft meer. Het wemelt van de anachronismen. Om er een paar te noemen uit het nieuwe album Ga je mee, sheriff?: brandblusapparaten, het zomeruur, vijfsterrenhotels, supermarkten, bowlingbanen, kruiswoordpuzzels en frietjes met mayonaise. En dat, samen met de vaak absurde grappen, maakt van Robin Hoed toch nog een genietbare reeks.