Het is oneerlijk verdeeld in het leven. Terwijl tal van jonge talentvolle tekenaars vaak jarenlang vergeefs proberen hun werk gepubliceerd te krijgen, verschijnt het jeugdwerk van Jan Bosschaert in een luxueus bundeltje met hard kaft en linnen rug, getiteld De rode draad. Zaten we hier nu werkelijk op te wachten? Jan Bosschaert wordt in eigen land bewonderd, terecht, als een weergaloos illustrator maar als stripmaker is hij in Vlaanderen niet onomstreden. Na albums zoals zijn debuut Icarus, net als de verhalen in De rode draad gemaakt toen de tekenaar nog op de kunstacademie zat, en de satire Pest in het paleis gold Bosschaert als de Grote Belofte van de Vlaamse strip, maar kreeg door de reeks Sam veel kritiek vanuit de goegemeente van stripliefhebbers. In het onlangs verschenen Stripjaar '95-'96 bij voorbeeld schreit Bart Pinceel dikke tranen over 'deze verspilling' van al dat talent. 'n Beetje onzin natuurlijk, binnen de beperkingen die Bosschaert zich als stripmaker heeft gesteld is Sam een alleszins redelijke en onderhoudende strip, waarvan het ene deel beter is geslaagd dan het andere, maar alla. De verhalen die nu in De rode draad zijn verzameld, dateren uit een periode die voor de tekenaar 'een verwarrende tijd' was, maar waarin hij toch precies wist wat hij wilde doen: 'de rest van m'n leven kortverhalen tekenen voor tijdschriften.' Helaas, de belangstelling was niet wederzijds.
Rechtvaardigen de verhalen dat ze nu, bijna twintig jaar later, alsnog worden gebundeld? Bosschaert, die het boekje en de afzonderlijke verhalen met monkelende commentaren inleidt, geeft grif toe dat ze gedateerd zijn en het is goed zichtbaar hoe de jonge tekenaar geestdriftig indrukken en invloeden, van Ever Meulen tot Moebius, in zijn verhalen verwerkt. Bosschaerts humor, in de verhalen maar vooral ook in de begeleidende teksten, werkt echter aanstekelijk. De hele verzameling getuigt van een gevoel van vrijheid dat een tekenaar misschien alleen aan het begin van zijn carrière ervaart, als hij tijd te kort lijkt te komen om zijn mogelijkheden te ontdekken en te eigenwijs (en te onzeker) is om zich van wie dan ook iets aan te trekken. De tijd kortom dat zijn talent tot aan de hemel grenst.
De korte verhalen in De rode draad zijn door hun anarchistische en cynische inslag nog altijd heel leesbaar, zonder per se juweeltjes te zijn. Daarvoor zijn ze, Bosschaert zal de eerste zijn om het toe te geven, nog te wisselvallig en te onrijp. Maar ze zetten je aan het denken: welke wending zou Bosschaerts loopbaan hebben genomen als de tijdschriften wel belangstelling voor zijn strips hadden getoond? ('Als, ja als...' snikt nu menig Vlaams stripliefhebber.) De verhalen in het boekje laten vermoeden tot wat voor stripmaker Bosschaert onder andere omstandigheden wellicht had kunnen uitgroeien. Of misschien alsnog uitgroeit, mocht hij ooit besluiten de rode draad weer op te pakken.