Het oeuvre van Raoul Cauvin is een klein wonder. Met een zelfde gemak schrijft hij gags, korte en lange verhalen in een niet aflatende stroom. Hij is een klassieke scenarist: zijn gags zijn helder opgebouwd en puntig afgerond, zijn verhalen bezitten een kop en een staart. Dat lijkt voor de hand te liggen, maar wie het gros van de stripverhalen die op de Nederlandstalige markt verschijnt doorneemt, beseft hoe moeilijk dat ambacht is. Verhalen worden over een schier eindeloos aantal albums uitgesmeerd, waarbij niet over een reeks maar gewichtig over een cyclus (of nog erger: een reeks van cycli) wordt gesproken. Cauvin lijkt nog één van de weinige tekstschrijvers te zijn, die in een bestek van 44 pagina's een afgerond verhaal kan vertellen. Uiteraard schrijft hij net als andere veelzijdige en produktieve tekstschrijvers (Charlier, Goscinny, Tillieux, Greg; in hun gezelschap hoort Cauvin zeker thuis) meer potboilers dan meesterwerken. Alhoewel, dat lijkt niet de mening te zijn van stripjournalist Kris De Saeger, die voor uitgeverij Arboris een Dossier Cauvin samenstelde. De Saeger beperkt zich tot een opsomming van alles, of bijna alles van wat Cauvin zoal heeft geschreven, en dat is heel veel. In de visie van De Saeger is het een oeuvre zonder dieptepunten of zwakke plekken. Is hij werkelijk een oprecht bewonderaar van elk afzonderlijk onderdeel in de boekenkast vol stripalbums die Cauvin bij elkaar heeft geschreven? Dat lijkt me een schier bovenmenselijke prestatie. Het zou interessant zijn als De Saeger de reeksen en de afzonderlijke albums binnen Cauvins meest succesvolle reeksen zoals De blauwbloezen en Sammy tegen elkaar had afgewogen om een gefundeerd oordeel over het geheel te geven. Dat zou lijn hebben gebracht en inzicht gegeven in een boeiend, zeer leesbaar maar zelfs voor ingewijden nauwelijks overzienbaar oeuvre. Cauvin zelf biedt daarbij nauwelijks enige steun: 'Mijn voornaamste gereedschap is mijn sofa! Ik zak erin weg en begin het verhaal te verzinnen, erop te broeden, het telkens weer aan mezelf te vertellen. De eerste vereiste is dat IK me amuseer. Af en toe val ik in slaap, maar dat hindert niet, ik blijf doordenken, word wakker en heb een nieuwe kijk op het verhaal of een nieuwe wending gevonden. Na een paar uur voor een kort verhaal, of een paar dagen voor een vervolgverhaal, heb ik het dan helemaal van a tot z in mijn hoofd.' Van Cauvin worden we wat betreft de achtergronden van zijn werk dus niet veel wijzer. Van De Saeger evenmin, helaas. Als hij probeert in het wezen van Cauvins humor door te dringen, volgen uitspraken zoals: 'Hij gaat uit van een situatie, liefst zo origineel en waanzinnig mogelijk, en blijkt dan welke figuren hoe reageren.' Het lijkt me dat Cauvin daarin niet verschilt van Goscinny en Greg, of van welke humorist dan ook. Bij gebrek aan een visie op Cauvins werk (ik wil zonder meer van De Saeger aannemen dat de man zelf 'een pracht van 'n vent' is, maar dat is niet de reden dat ik zijn verhalen lees) beperkt De Saeger zich tot een chronologische opsomming van reeksen waarvoor Cauvin de teksten schreef. De beknopte, begeleidende teksten zijn zo weinig kritisch dat ze nergens het niveau van de auteursbiografieën die uitgevers met hun recensie-exemplaren meesturen, overstijgen. Superlatieven zijn nog altijd gratis, dus is er voor ieder in de lange rits van tekenaars met wie Cauvin heeft samengewerkt, een welwillend woord. De Saeger bezit een ongebreideld en benijdenswaardig vermogen tot bewonderen, hoewel ik me bijvoorbeeld afvraag hoeveel mensen, buiten de betreffende tekenaar en zijn uitgever, zullen onderschrijven dat voormalig Archie Cash-tekenaar Malik zich in de strip Cupido ontpopte tot 'een schitterend humortekenaar'. De Saegers enthousiaste plakboek is nauwelijks een monografie te noemen, hooguit een overvloedig geïllustreerde, maar zeer onvolledige bibliografie, waarin afzonderlijke albums nauwelijks aan bod komen en een index zelfs volledig ontbreekt. Wie het geheim van Cauvins succes wil doorgronden, zal op eigen houtje een poging moeten wagen aan de hand van de ruim veertig strippagina's die het dossier bevat. Misschien blijkt er dan alsnog één doortastende en scherpzinnige lezer te zijn, die tenslotte de verhandeling schrijft waarop Cauvin wel degelijk recht heeft.