In Blauwe pillen geeft Frederik Peeters de lezer een prachtige en bijzonder intieme inkijk in zijn leven. Het boek begint als een gewoon boy-meets-girl-verhaal. Als bijna-twintiger ontmoet Frederik de sprankelende, prikkelende Cati. Nog een paar keer komen ze elkaar in de jaren daarna toevallig tegen. Ze gaan daten. Onontkoombaar blijkt zij de liefde van zijn leven te zijn. Maar in welke achtbaan kom je terecht als de liefde van je leven seropositief blijkt te zijn? En haar zoontje ook? Frederik neemt de lezer mee naar het leven met artsen, poeders, siroop en blauwe pillen. Maar ook het leven met de achtbaan van emoties: de schuldvraag, angst voor besmetting, een totaal nieuwe beleving van seksualiteit. De lijn van het opbouwen van zijn band met de zoon van Cati, Wolf, heeft hij mooi subtiel uitgewerkt.
Prachtig eindigt het verhaal: de wervelwinden zijn neergestreken, het virus lijkt onder controle, nieuwe paden zijn uitgevonden en Cati, Frederik en Wolf kunnen letterlijk de wereld weer in. En dankzij het internet weten we dat het ze nog steeds goed vergaat (het boek is immers voor het eerst in het Frans uitgekomen in 2001). Via Wikipedia komen we erachter dat Cati’s in het boek geuite wens vervuld is: inmiddels hebben ze samen ook een dochter.
Bovenal is Blauwe pillen een ode aan de liefde. Knap is hoe Peeters door zijn woordkeus en ongepolijste tekenstijl de lezer in het hart weet te raken.