‘Erik, wat denk jij? Heeft God de mens geschapen of schiep de mens God?’
‘De mens schiep God. Hoezo dan?’
‘Dus... dan kan de mens zelf kiezen waar hij in gelooft?’
‘Klopt.’
‘Maar als dat zo is... waarom geloof jij dan in niks?’
De wereld van Gerrie Hondius zou soms perfect op een wandtegeltje passen. Eigenlijk is haar nieuwste strip Ik ben God een heel huis vol wandtegeltjes. Neergekrabbelde gesprekken, monologen, gedachtenkronkels en een verdwaald gedicht... het staat allemaal ogenschijnlijk lukraak achter elkaar geplempt in dit stripboek.
Schijn bedriegt, zoals ook blijkt uit de kwalificaties ‘literair’ en ‘autobiografisch’ die uitgeverij Contact er tegenaan gooit. Hondius mag dan heel erg uit de losse pols tekenen en vertellen, onder de oppervlakte bouwt ze wel degelijk aan een Grote Gedachte. Het boek is de zoektocht naar zingeving van een dolende dertiger die recentelijk haar moeder heeft verloren. Het boek begint met een onschuldig gesprekje van Hondius met een foto van haar moeder, die ze lekker ongegeneerd meeneemt naar het toilet. Later bezoekt ze een spreekbeurt over engelen, waar ze beseft dat haar moeder misschien ook wel een engel voor haar is. Hondius gaat geloof zien als iets dat je zelf vormgeeft. Dat mondt uit in de zelfspottend bedoelde conclusie dat ze dan maar het beste zelf gewoon God kan zijn. Een zelfrelativerende God, die uit haar bed moet worden gebeld door vriendinnen en een beetje rondneukt met voorradige mannen. Niks verhevens, maar gewoon een jonge vrouw die het heerlijk vindt om in haar blote kont door het huis te banjeren. Het vele onschuldige naakt zorgt er feilloos voor dat alle pretenties als sneeuw voor de zon verdwijnen. Nergens wordt het boek zwaar, want dat lijkt Hondius vooral niet te willen. Toch zegt ze zinnige dingen over zingeving.
De losse stijl van Hondius sleurt je mee haar leven in, brengt je tot heel dicht op haar huid. Het is alsof je stiekem meeleest in andermans dagboek. Een goddelijke ervaring.