Alles in dit verhaal klopt: de weidse tekeningen van de majestueuze Indiase Himalaya, die over een halve of hele pagina zijn uitgestrekt. De gedempte, aardse kleuren in aquarel waarin de hoofdpersonen in hun omgeving worden geportretteerd. Het ambacht van het inkleuren: de schaduwwerking van bladeren op vader en zoon die op het heetst van de dag onder een boom rusten of de gloed van het kookvuur, weerkaatsend op de gezichten van het gezin bij het avondeten. Het inzoomen op details: de shock in het gezicht van de moeder bij het zien van haar doofstomme zoon Kazi, die net van de verdrinkingsdood is gered, of het intense verdriet van de vader bij zijn besluit deze zoon aan monniken in het koninkrijkje Mustang af te staan.
De paarden van de wind vertelt het dramatische verhaal van vader Calay, die tegen de achtergrond van het koloniale regime van de Britten in India, vijftien jaar na het afstaan van Kazi een helse voettocht onderneemt om zijn zoon terug te zien. Om toegang tot de besloten koninkrijken van Nepal en Mustang te krijgen, ziet Calay zich gedwongen om dienst te nemen bij de door hem verafschuwde Britse overheersers. In Calcutta krijgt hij een opleiding tot pundit: een in de landmeetkunde opgeleide spion. Door middel van pundits kon de Britse kolonisator een controlenet opzetten in India en de grensgebieden.
We volgen de trotse vader, gedegradeerd tot nummer ‘eenendertig’, als cartograaf op zijn maandenlange voetreis naar Mustang, naar het klooster waar zijn zoon woont. Zijn reis wordt in verstilde beelden weergegeven: sneeuw, ijs, hagel en regen teisteren hem. Maar ook straatkinderen en een Nepalese politiebeambte, belast met het opsporen van pundits, vormen een gevaar voor Calay. Je gunt het hem zó dat hij Kazi weer in zijn armen kan sluiten. Maar dan, op de dag dat hij voor het klooster staat, wordt hij als pundit ontdekt.
Het ingetogen verhaal van Jean-Claude Fournier (van Robbedoes en Kwabbernoot) en Lax heeft alles in zich om een klassieker te worden. Het is met ongeduld uitzien naar deel twee.