Een jongen sjokt met zijn moeder door Amsterdam. We zijn in de jaren 1970. Amsterdam wordt bevolkt door clichés van dealers, hoeren, morsige caféhouders en hippies. Als een hippie kwaad wordt, roept hij: ‘Ik sla je tot groentensoep’. Een eetcafé heet ‘De blauwe drol’. Paul Schenk die het boekje Plaagpark maakte, zal vast hard gelachen hebben over zijn vondst. Origineel is wel dat één van de figuren zelfmoord als hobby heeft. Ze onderzoekt allerlei varianten. Maar al snel gaan de gesprekken weer over ‘je dood lachen’, ‘sterven van de dorst’ en ontmoet ze een ‘moordgozer’. Om te zorgen dat de lezer de grappen niet mist, zijn al die woorden vet gedrukt. Om het verhaal nog wat hippie-achtiger te maken is er een plaagpark - geen pretje dus - waar allerlei avonturen wachten.
Het verhaaltje is oubollig en gedateerd. Paul Schenk schrijft in een epiloog dat hij het verhaal grotendeels al maakte in 1992. Hij leek, vertrouwt hij ons toe, toen erg op de langharige werkschuwe hippie uit Plaagpark. Een hippie met een uitkering in Amsterdam in 1992? Schenk schrijft ook dat hij van de Kunstacademie afging, omdat ze daar neerkeken op striptekenaars. Het kan natuurlijk ook dat zijn docenten op de Kunstacademie zijn tekeningen weinig verrassend en zijn verhaaltjes slaapverwekkend vonden.