Lat (pseudoniem van Mohammad Nor Khalid, geboren in 1951) heeft als striptekenaar de eer gekregen om een Boeing 737 van Air Asia met zijn tekeningen te verfraaien. Hij is dan ook één van de beroemdste en meest geliefde striptekenaars van Zuid-Oost-Azië. Hij startte zijn loopbaan in Kuala Lumpur als misdaadverslaggever bij de New Straits Times. Lats bijdragen over criminaliteit werden opgevolgd door zijn cartoons, waarmee hij zeer succesvol was. Zijn werk is onder andere vertaald in het Frans, Engels en Japans. In 2002 ontving hij de Fukuoka Asia Culture Prize.
De Nederlandse vertaling van zijn eerste stripboek Kampong boy zag dit jaar het licht. Dat is rijkelijk laat, want dit autobiografische relaas van zijn jeugd in een dorpje in de Kinta Vallei, verscheen al bijna dertig jaar geleden, in 1979. Het was een instant-klassieker waarvan binnen drie maanden duizenden exemplaren werden verkocht. De Nederlandse versie maakt duidelijk waarom. Lats weergave van het opgroeiende jongetje Mat is een uiterst charmant en elegant coming-of-age-verhaal. We zien de wereld door de ogen van Mat als pasgeborene. Zijn wereld is zo groot als het huis waarin hij als peuter rondkruipt, spelend met de vlekjes zonlicht op de vloer. We maken kennis met zijn liefkozende moeder, zijn strenge-doch-rechtvaardige vader, zijn zusje Maimunah en zijn sigarettenrokende tante Kathijah. Als zijn wereld groter wordt en hij met vriendjes gaat zwemmen, neemt het beeldverhaal in snelheid toe: met een rotvaart duiken vier blote jochies de rivier in. Lats tekeningen zijn weergaloos: ogenschijnlijk nonchalant, uit de losse pols en kaderloos getekend, gunt hij ons als lezer een intieme inkijk in zijn jongenswereld. Je voelt je net als een van die ventjes, die tijdens een besnijdenis in de palmboom zijn geklommen, om stiekem door het raam te kijken naar wat ook hen later te wachten staat.
Voor Indische Nederlanders en alle anderen die een band met Indonesië hebben, biedt Mats leven een feest der herkenning. Het landschap, de slokans (afvoer) op straat, de inrichting van huizen in de tropen, de kleding van de mensen (sarong en kabaja), het djongkokken (op de hurken zitten) als ze moeten wachten. Hoewel het woord ‘kampong’ voor Indische Nederlanders vanuit de koloniale context de connotatie heeft gekregen van armoedige volksbuurt, geeft Lat met zijn Kampong boy een volstrekt andere betekenis aan het woord: het dorp om van te houden en om te missen. Aan het einde van het boek verlaat Mat zijn kampong in de vallei om naar de grote school in de stad te gaan. Een mijnbouwmaatschappij gaat onderzoeken of er in de omgeving van het dorp tin zit. En Mat begrijpt dat de modernisering niet is tegen te houden. Dat laat de lezer met een weemoedig gevoel achter, wetende dat Kampong boy dertig jaar geleden is verschenen en de kampong intussen onherroepelijk moet zijn veranderd.